Brevet A-Motor

brevet1

Een examen voor het Brevet A-Motor bestaat uit het vliegen van de volgende figuren en opdrachten:

  • Start met rechte stijgvlucht
  • Procedure turn
  • Twee loopings achterover
  • Vlakke acht
  • Tolvlucht(vrille) of spiraalvlucht van 3 slagen
  • Circuit met go-around
  • Gesimuleerde noodlanding met motor stationair
  • Circuit met aansluitend een landing binnen 30 meter cirkel
  • Algemene veiligheid vlucht (van begin tot einde)
  • Handling van het model

INLEIDING

De kandidaat, met helper voor het aanzeggen van de figuren, stelt zich op recht vóór de examencommissie. Normaal gesproken worden de figuren tegen de wind in gevlogen, langs een vlieglijn die recht voor de kandidaat doorloopt. Bij afwijking hiervan is dit met de examencommissie overeen te komen.

Indien niet verder beschreven, mag de kandidaat zelf bepalen hoe hij het model tussen de figuren positioneert voor de volgende manoeuvre.

Bij alle examens staan twee gemeenschappelijke items te beoordelen:

  • Algemene veiligheid vlucht (van begin tot einde)

Hiermee wordt bedoeld of de totaalindruk van de vlucht een veilige indruk achter laat. Te denken valt onder andere aan het vliegen van passende snelheden gedurende de examenvlucht, en het ontbreken van stuurfouten.

  • Handling van het model

Een extra aandachtspunt van veiligheid, vooral aandacht voor het op juiste wijze omgaan met het type aandrijving. (Elektro – Nitro – Benzine etc…)

START

breveta1

Het model moet met draaiende motor stilstaan of mag door een helper worden vastgehouden. De aanloop moet in rechte lijn zijn, evenals de daarop volgende stijgvlucht. In geval van een handstart mag het model zowel door de helper als door de vlieger worden gegooid.
Als onvoldoende kan ondermeer worden aangemerkt als:

  • het model gedurende de aanloop en/of bij de stijgvlucht aanmerkelijk van richting verandert.
  • na het opstijgen opnieuw de grond wordt geraakt.
  • de stijgvlucht onstabiel is of met te hoge of te lage snelheid wordt gevlogen.

PROCEDURE-TURN

breveta2

Het model vliegt minimaal 5 seconden langs de vlieglijn tot vrijwel recht voor de kandidaat, maakt een bocht van 90 graden van de vlieglijn af, beschrijft dan een bocht van 270 graden tegengesteld aan de eerste bocht, waarna het weer in rechtlijnige horizontale vlucht terugkeert langs de vlieglijn tot wederom recht voor de kandidaat, naar het beginpunt op een koers tegengesteld aan die bij het begin van de figuur.

Als onvoldoende kan ondermeer worden aangemerkt als:

  • de figuur als zodanig onvoldoende kan worden herkend.
  • de hoogte sterk varieert.

TWEE LOOPINGS ACHTEROVER

breveta3

Het model komt langs de vlieglijn aanvliegen en maakt recht voor de vlieger achtereenvolgens twee lussen (jetmodellen: één looping) achterover. Een lichte duikvlucht om meer snelheid te verkrijgen is toegestaan. De figuur wordt beëindigd op een koers die in het verlengde ligt van die bij aanvang.
Als onvoldoende kan ondermeer worden aangemerkt als:

  • de loopings niet als zodanig herkenbaar zijn.
  • het model tijdens de loopings niet meer volledig onder controle is (breekt uit).
  • de manoeuvre grote afwijkingen vertoont ten opzichte van de vlieglijn.

VLAKKE ACHT

breveta4

Het model vliegt tot vrijwel voor de kandidaat, maakt een bocht van 90 graden van de vlieglijn af, beschrijft dan een complete horizontale cirkel in de vliegrichting, gevolgd door een cirkel in tegenovergestelde richting. De figuur wordt beëindigd op een koers die in het verlengde ligt van die bij de aanvang.
Als onvoldoende kan ondermeer worden aangemerkt als:

  • de manoeuvre niet als dusdanig kan worden herkend.
  • de hoogte sterk varieert.

TOLVLUCHT OF SPIRAALDUIK VAN 3 SLAGEN

breveta5

Het model vliegt op voldoende hoogte tot bijna recht voor de kandidaat, neemt gas terug en maakt dan een tolvlucht of spiraalduik van drie slagen (een tolvlucht is een overtrokken vliegtoestand, een spiraalduik is een gevlogen figuur).
Na herstel vervolgt het model op lagere hoogte in dezelfde richting als bij het begin van de manoeuvre.
Als onvoldoende kan ondermeer worden aangemerkt als:

  • de manoeuvre niet als dusdanig kan worden herkend.
  • het model vanuit een tolvlucht overgaat in een spiraalduik.
  • het model in een spiraalduik een veel te hoge snelheid bereikt.

AFGEBROKEN LANDING

breveta6
De kandidaat laat het model passeren tegen de wind in, langs de vlieglijn. Hij start het circuit recht voor zich, gevlogen op constante hoogte. Aan het eind van downwind of tijdens het baseleg wordt de hoogte verlaten en een landing ingezet. Het mikpunt is daarbij het punt waarop bij een normale landing wordt gemikt.
Vlak voor de landing wordt volgas gegeven en het model vliegt langs de vlieglijn klimmend naar circuithoogte.
Als onvoldoende kan ondermeer worden aangemerkt als:

  • de manoeuvre niet als dusdanig kan worden herkend.
  • het model grote variaties in hoogte of richting vertoont tijdens het circuitvliegen
  • de snelheid op final niet overeenstemt met die van een normale landing.
  • de snelheid van het uitklimmen na de go-around niet overeenstemt met de snelheid van een normale klim na de start.
  • het final been niet in de configuratie (flaps stand) wordt gevlogen als bij een normale landing met dat model gebruikelijk is.

GESIMMULEERDE NOODLANDING

breveta7
Het model passeert de kandidaat in downwind positie. De kandidaat neemt het gas volledig terug (stationair), zet de daling in en vliegt een route die het model in een positie/hoogte/snelheid brengt van waaruit een veilige landing op het veld zou kunnen worden gemaakt.
Op ongeveer 2 m hoogte boven het landingspunt aangekomen geeft de kandidaat weer volgas en maakt een klimvlucht langs de vlieglijn naar circuithoogte.
Als onvoldoende kan ondermeer worden aangemerkt als:

  • de manoeuvre niet als dusdanig kan worden herkend.
  • het laagste punt zodanig ligt, dat een aansluitende landing niet mogelijk zou zijn binnen de grenzen van het veld.
  • er tijdens de daling gas bij moet worden gegeven.

CIRCUIT MET AANSLUITEND DE LANDING

breveta8

Het model passeert de kandidaat tegen de wind in, langs de vlieglijn. De kandidaat start het circuit recht voor zich, en vliegt op constante hoogte. Aan het eind van downwind of tijdens het baseleg wordt de hoogte verlaten en een landing ingezet. Het model moet de grond raken binnen de landingscirkel en daarna gecontroleerd uitrollen. (Voor zwevers geldt een doorlopende daalvlucht ipv horizontaal vliegen).
Als onvoldoende kan ondermeer worden aangemerkt als:

  • de manoeuvre niet als dusdanig kan worden herkend.
  • het model grote variaties in hoogte of richting vertoont tijdens het circuitvliegen.
  • de daling onstabiel is door grote variaties in gewenste snelheid, koers en daalhoek.
  • het final been niet in de configuratie (flaps stand) wordt gevlogen wordt als bij een normale landing met dat model gebruikelijk is.
  • indien een opspringen bij de landing onveilig wordt opgevangen door de kandidaat.
  • Het model na de landing uitbreekt (sterk wegdraait).